066.
BIJBELSTUDIE OVER DE
rmvih trypc
Op ,yrvkbh ,vy Yom
haBikurim [de Dag van de
Eerstelingen], die bij de christenen bekend is als Paaszondag, vieren
wij de opstanding van Yeshua! Het is de dag na
de eerste Shabat die binnen de week van de
ongezuurde broden valt, en vanaf die dag begint de bijbelse omertelling die na 50 dagen uitmondt in het
wekenfeest, Shavuot, bij de christenen bekend
als Pinksteren! De opstanding van onze Mashiach, die als Pesachlam geslacht werd
voor de zonden van de hele mensheid en wiens bloed ons bevrijd heeft uit de
slavernij van de satan, vond plaats op de dag waarop men toen de eerstelinggarven
van de gersteoogst als beweegoffer naar de tempel bracht. In het Hebreeuws heet
dit hpvnth
rmvi Omer haT’nufa, en daarom noemen wij de periode tussen Pesach en Shavuot dan ook de Omertijd. De eerstelingen
heten ,yrvkb Bikurim in het Hebreeuws en daarom wordt deze belangrijke dag na
de Shabat ,yrvkbh ,vy Yom
haBikurim genoemd, de Dag van de Eerstelingen.
Yeshua is de Eersteling uit de doden en deze
rijke symboliek komen wij tegen in de Mitzva [opdracht] voor de Israëlieten, om de eerstelingen van de oogst aan de
Eeuwige te geven. De eerstelinggarve, die voor
het aangezicht van de Eeuwige bewogen moest worden, is een beeld van Yeshua, die niet alleen als
plaatsvervanger voor de zondaars stierf, maar als Eersteling uit de dood
opstond zodat ook wij dit eens mogen doen.
Het woord rmvi Omer is het
Hebreeuwse woord voor "schoof" of “garve”. Voordat na Pesach de oogst begon, werd dus eerst door de
priester een schoof gerst geofferd op het altaar van de tempel in Jeruzalem en
vanaf dat moment begon de telling van zeven keer zeven weken. Deze telling
dankt zijn naam dus aan de schoof die geofferd was en heet daarom tot op heden
de "omertelling"
ofwel rmvih
trypc Sefirat haOmer. Oorspronkelijk
begon de telling op de Dag der Eerstelingen, maar de orthodoxe Joden hebben dit
veranderd. Zij beginnen reeds te tellen op de tweede sederavond
en komen daardoor dan ook eerder uit op Shavuot
[het wekenfeest] dan degenen onder de Messiasbelijdende Joden, die nog steeds
de bijbelse datum hanteren. Onze omertelling
loopt dus niet synchroon, maar wel parallel met de halachische telling. Hoewel de traditionele Joden buiten Israël twee keer een sederviering hebben, vieren de Joden in het land
Israël slechts één, en op deze sederavond
(buiten Israël op de tweede avond) wordt aan het einde van de Seder begonnen met het tellen van de Omer. De bijbelse telling daarentegen begint op de
dag na de Shabat in de week van de ongezuurde
broden en dat is voor ons voldoende reden om deze telling te hanteren. De omertelling is namelijk een g’ddelijke opdracht, want
er staat immers geschreven: “Dit zijn de
feesttijden van de Eeuwige, heilige samenkomsten, die gij uitroepen zult op de
daarvoor bepaalde tijd: in de eerste maand, op de veertiende der maand, in de
avondschemering, is het Pesach [pascha] voor de Eeuwige. En op de vijftiende dag van deze
maand is het Chag haMatzot [feest van de ongezuurde broden] voor de Eeuwige, zeven
dagen zult gij ongezuurde broden eten. Spreek tot de Israëlieten en zeg tot
hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan
binnenhaalt, dan zult gij de eerstelinggarve van uw oogst naar de priester
brengen, en hij zal de garve voor het
aangezicht van de Eeuwige bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de
Shabat zal de priester die bewegen. Dan zult gij tellen van de dag na de
Shabat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven
volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende Shabat zult gij
tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige
brengen. Uit uw woonplaatsen zult gij twee beweegbroden meebrengen; uit twee
tienden efa fijn meel zullen zij bereid worden, gezuurd zullen zij gebakken
worden, eerstelingen voor de Eeuwige. Bij het brood zult gij zeven gave
eenjarige schapen offeren en een jonge stier en twee rammen; zij zullen een
brandoffer voor de Eeuwige zijn, met de bijbehorende spijsoffers en
plengoffers, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de Eeuwige. Dan zult
gij een geitenbok ten zondoffer, en twee eenjarige schapen ten vredesoffer
bereiden. En de priester zal ze bewegen, bij het brood der eerstelingen, als
beweegoffer voor het aangezicht van de Eeuwige bij de twee schapen: zij zullen
de Eeuwige heilig zijn, zij zijn voor de priester. Op deze zelfde dag zult gij
een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige samenkomst hebben, generlei
slaafse arbeid zult gij verrichten; het is een
altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten.
Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, dan zult gij de rand van uw veld
bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult
gij niet oplezen; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik
ben de Eeuwige, uw G’d” (arqyv Vayiq’ra
[Leviticus] 23:4-6, 10-11 en 15-22). “En op Yom haBiqurim [de dag van
de eerstelingen], wanneer gij een nieuw spijsoffer de Eeuwige brengen zult, op
uw Chag Shavuot
[feest der weken], zult gij een heilige samenkomst hebben, gij zult generlei
slaafse arbeid verrichten.” (rbdmb Bamid’bar [Numeri] 28:26).
“Zeven weken zult gij tellen: van dat de sikkel voor het eerst in het
staande koren geslagen wordt, zult gij zeven weken beginnen te tellen.
Dan zult gij Chag Shavuot [het feest der weken] vieren ter ere van de Eeuwige, uw
G’d, naar de mate van de gaven, die gij vrijwillig geven zult, naar dat de
Eeuwige, uw G’d, u gezegend heeft; gij zult u verheugen voor het aangezicht van
de Eeuwige, uw G’d, gij met uw zoon en uw dochter, uw dienstknecht en uw
dienstmaagd, met de Leviet, die binnen uw poorten woont, en met de vreemdeling,
de wees en de weduwe, die in uw midden zijn, op de plaats die de Eeuwige, uw
G’d, verkiezen zal om Zijn Naam daar te doen wonen. Gij zult gedenken, dat gij
een dienstknecht geweest zijt in Mitzrayim [Egypte] en gij zult deze inzettingen naarstig
onderhouden.” (,yrbd D’varim [Deuteronomium]
16:9-12).
De Eeuwige zegt in de Tora dat Zijn volk Israël zeven volle weken moest tellen vanaf de dag dat men de eerstelinggarve van de gersteoogst in de tempel bracht tot op de dag dat men opnieuw een spijsoffer voor de Eeuwige moest brengen. Vandaar de naam “wekenfeest” ofwel het “feest der weken”. Zeven weken is in de Hebreeuwse grondtekst tvib> hib> Shiv’a Shavuot en daarom heet dit feest dan ook tvib>h gx Chag haShavuot, het feest der weken ofwel het wekenfeest omdat men na zeven volle weken weer de eersteling moest offeren. Ditmaal was het geen garve, geen schoof zoals bij het feest der ongezuurde broden, maar bestond het offer uit twee gezuurde broden. De garve die op Yom haBikurim [de dag der eerstelingen] naar de tempel werd gebracht, was dus de eersteling van de gersteoogst, maar het offer van de twee eerstelingenbroden op het feest der weken staat voor het begin van de tarweoogst. Daarom wordt Shavuot terecht in rbdmb Bamid’bar [Numeri] 28:26 eveneens Yom haBikurim [dag der eerstelingen] genoemd. Hierdoor is er een direct verband tussen Pesach en Shavuot, Pasen en Pinksteren. Yeshua, die bij het aanbreken van Yom haBikurim is opgestaan, is de Eersteling van de gersteoogst, en de drieduizend zielen die na de uitstorting van de Heilige Geest op de Pinksterdag, die dus eveneens Yom haBikurim genoemd wordt, aan de gemeente werden toegevoegd, waren de eerstelingen van de tarweoogst! Het is dus geen toeval dat Shavuot op de eerste plaats een dankdag is voor de oogst, een oogstfeest. Volgens de oudste bijbelse bron heet Shavuot ook oorspronkelijk het ‘feest van de oogst’, ofwel ryjqh gx Chag haQatzir (tvm> Sh’mot [Exodus] 23:16). Na de rmvih trypc Sefirat haOmer, het tellen van deze zeven weken, zeven Shabatot en zeven maal zeven dagen valt Shavuot dus op de vijftigste dag. Dit blijkt ook uit de Griekse naam van dit oogstfeest in het Nieuwe Testament, want daar wordt het namelijk ‘de vijftigste’ (penthkosth pentēkostē) genoemd. Het bij ons bekende Engelse woord voor Pinksteren, Pentecost, is hiervan afgeleid.
In de dvmlt Talmud wordt
Shavuot ook trji Atzeret
[slotfeest] genoemd, want de wijzen zagen die dag als de afsluiting van Pesach. In tegenstelling tot de overige feestdagen
noemt de Tora geen vaste datum voor de viering
van het wekenfeest, maar zij geeft slechts aan, dat men vanaf de dag na de Shabat, dus de dag van de eerstelingen, zeven volle
weken moet tellen. Dat leidde tot een felle debat tussen de Farizeeën en de
Sadduceeën (politieke en religieuze facties in het Sanhedrin) over de juiste
dag waarop Shavuot gevierd moet worden. Men was
het namelijk met elkaar niet eens wat de aanwijzing ‘de dag na de Shabat’ precies betekende. Sloeg het woord Shabat in dit geval ook op de gewone wekelijkse
rustdag of op de eerste dag van het feest, die als het ware een extra Shabat is omdat er op die dag niet gewerkt wordt?
Helaas waren de Farizeeën van mening dat dit op het laatste sloeg, dus op de
eerste dag van Pesach, de 15e Nisan, en het werd een traditie tot de dag van
vandaag de Omer te tellen vanaf de tweede dag
van Pesach, dus de 16e Nisan, waardoor Shavuot
dus voor altijd uitkwam op de 6e Sivan,
ongeacht welke dag van de week het is. De Sadduceeën daarentegen vonden dat men
het woord Shabat letterlijk moet nemen en dat
hier echt de gewone wekelijkse Shabat mee
bedoeld is, die binnen de week van de ongezuurde broden valt, ongeacht op welke
datum. Yom haBikurim [de dag der eerstelingen]
valt in hun visie derhalve altijd op een zondag en hieraan gekoppeld zou dus
ook Shavuot altijd op een zondag vallen, en
deze visie wordt wel ondersteund door zowel het Paasevangelie alsook door de Tora zelf! Meestal ben ik het met de Sadduceeën niet
eens, maar in dit geval moet ik ze wél gelijk geven, maar helaas: de Sadduceeën
zijn in de loop der eeuwen verdwenen en met hen ook deze visie. De Farizeese
opvatting echter is gebleven en zo viert nog steeds
elke Jood, orthodox, liberaal of seculier, het wekenfeest als vaste prik op
de 6e Sivan en buiten Israël ook nog
op de 7e Sivan. Elke Jood? Volstrekt
niet! Een deel van de Messiasbelijdende Joden alsook de Karaieten volgen nog
steeds de Sadduceese opvatting en zij beginnen derhalve de Omer pas te tellen vanaf de zondag, dat de
opstandingdag van Yeshua haMashiach, die zoals
bekend op de eerste dag der week plaats vond en wijken daarmee af van de
officiële Luach [agenda]. En toch weten zij
zich hierin ook door de Tora gesteund, want er
staat namelijk niet alleen geschreven, dat men vanaf de dag ná de Shabat
moet tellen, maar ook dat men tot de dag ná de zevende Shabat
moet tellen. En er staat niet alleen geschreven dat men zeven weken moet
tellen, maar dat men zeven volle, voltooide weken moet tellen (Lev. 23:15-16)!
In het Hebreeuws is hier namelijk het woordje ,ymt tamim
aan toegevoegd, hetgeen ‘vol’, ‘voltooid’, ‘geheel’, ‘compleet’, ‘afgerond’
betekent. Er is hier dus sprake van zeven volle, afgeronde weken en zeven Shabatot! Daar kunnen onmogelijk zeven feestdagen mee
bedoeld zijn en evenmin de opvatting dat het woord Shabatot
hier synoniem zou zijn met ‘weken’, want anders zou er niet gesproken worden
over Chag haShavuot, maar over Chag haShabatot en dan zou de toevoeging ‘volle’
overbodig zijn. Een volle week begint immers altijd met de zondag als eerste
dag der week en eindigt met de Shabat als
laatste dag der week. Als de omertelling dus
letterlijk begint op de dag na de Shabat, dus
op de eerste dag der week, en er gesproken wordt over zeven volle weken, dan is
de zevende Shabat ook daadwerkelijk een Shabat
als laatste dag der week overeenkomstig de Bijbelse weekindeling en tevens
laatste dag van de omertelling.
Derhalve zal Shavuot altijd op een zondag vallen,
die uiteraard reeds op de avond daarvoor bij zonsondergang begint, na afloop
van de Shabat.
Toch blijft voor velen nog steeds
de vraag: waarom is het überhaupt nodig om de dagen te tellen tussen Pesach en Shavuot?
Alle feestdagen in de Tora worden exact genoemd
samen met de datum waarop ze vallen. Alleen het Wekenfeest [Pinksteren] heeft
geen expliciete datum. Het enige dat we weten is dat het plaatsvindt op de
vijftigste dag na de Shabat van Pesach. Waarom wordt de datum niet expliciet genoemd
in de Tora en wordt het in een omweg genoemd?
Vele Joodse geleerden probeerden hierop een antwoord te geven. Volgens de Rebbe van Slonym (Netivot Shalom) moeten we Shavuot
niet zozeer zien als een op zichzelf staande feestdag, maar als het einde van
de periode tussen Pesach en Shavuot, die we de Omertijd
noemen. Hij ziet de bevrijding uit Egypte als een bevrijding uit de onreinheid
die Egypte symboliseert. Toen de joden in Egypte waren, waren ze op een zeer
laag spiritueel niveau. Ze waren op de 49e graad van onreinheid. Waren ze nog
even langer in Egypte gebleven, dan zouden ze helaas volledig zijn geassimileerd
aan de Egyptische omgeving. De 49 dagen die tussen Pesach
en Shavuot liggen, zijn dagen waarop we ons
proberen te bevrijden van deze spirituele beperkingen. Elke dag wordt er hard
gewerkt aan een specifiek geestelijk niveau. Aan het einde van deze rit, als we
dan het ontvangen van de Tora vieren, zijn we
pas op dat niveau dat we ook daadwerkelijk in staat zijn om de Tora te ‘kunnen’ ontvangen. De Mishna in Pirke Avot
6:2 leert ons: "Er is geen vrijheid dan de Tora".
De Rebbe van Slonym
zegt dat pas op het moment dat de Tora [wet]
aan Moshe [Mozes] werd gegeven er van een echte
bevrijding sprake kon zijn. Hij ziet Shavuot
als een afsluitend feest voor de bevrijding van het Joodse volk. Dit is de
reden dat er geen specifieke datum voor Shavuot
is gegeven in de Tora, maar dat deze afhangt
van Pesach, het begin van de bevrijding. Shavuot wordt gezien als de vervolmaking van deze
bevrijding. Moshe ben Maimon, beter bekend als Maimonides, de middeleeuwse Joodse geleerde (1155 -
1204), zegt over de omertelling: "Zoals je
de dagen aftelt tot iets bijzonders, zo tellen we de dagen van Pesach, de uittocht, tot Shavuot,
dat is de hrvt
]tm Matan Tora [het geschenk Tora], n.l. het geestelijk vrij worden door de Tora, die de Eeuwige ons in Zijn oneindige liefde
geschonken heeft. Daar is het uiteindelijk immers allemaal om begonnen."
Messiasbelijdende Joden wijzen in dit verband op het feit, dat Yeshua de vleesgeworden Tora
is, zoals wij kunnen lezen in ]nxvy Yochanan
[Johannes] 1:14. Anders gezegd: het Paasfeest vindt in zekere zin zijn
vervulling in het Pinksterfeest. Het Paasfeest moet op het Pinksterfeest
uitlopen en er tenslotte ook mee eindigen, want Pinksteren is de bekroning van
Pasen. Ook of juist de christenen kunnen zich in deze beleving ongetwijfeld
herkennen. De Ketav
Sofer brengt dat het gebod om de dagen te tellen tussen Pesach en Shavuot niet
alleen maar een wiskundige telling inhoudt. Er staat immers letterlijk: “U
zult voor u tellen” - “voor u” betekent “voor je eigen bestwil” (zie Rashi begin Parashat
Lech-Lecha). Het tellen (de sefira) is
voor het eigen goed van de ziel van de mens. Het is een periode van geestelijke
groei en bezinning. Rashi legt uit dat de stam
van het woordje hrypc Sefira
[telling] ook afgeleid kan worden van bvya Iyov [Job] 14:16: "U telt mijn
stappen". Hier wordt niet zozeer het mathematische tellen bedoeld,
maar meer het op iemand letten, aandacht ergens aan besteden. Zo moet de mens
in deze periode aandacht besteden aan de geestelijke stappen die hij zet en aan
zijn gedrag. Ook kan volgens de Ketav Sofer de
term hrypc Sefira
afgeleid zijn van het woordje rypc Sapir [safier], dat is een steen die waarlijk
uitblinkt in schittering en puurheid. Deze Sefira
moet leiden tot geestelijke reiniging en ervoor zorgen dat onze ziel kan
schitteren in puurheid. Zeven is het getal van de volmaaktheid, en omdat wij
zeven weken met zeven Shabatot tellen en op de
vijftigste dag vieren, dat wij naast de Tora
ook Ruach haQodesh [de Heilige Geest] van de
Eeuwige hebben ontvangen, is het belangrijk om ons de vruchten van de Heilige
Geest juist in deze omertijd steeds voor ogen
te houden want dat is het zichtbare resultaat van Zijn inwoning: “De vrucht
van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid,
goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de Tora niet.” (Galaten 5:22-23). In de Midrash Mechilta leert Rabbi
Shim’on bar Yochai ons iets soortgelijks. "U zult voor u
tellen" – voor u, dus voor uzelf. Waarom? Om ons te reinigen zodat we de Tora in ontvangst kunnen nemen. Tot slot nog dit.
Rabbijn N. Lopes-Cardozo heeft eens de vraag gesteld, waarom er aan het begin
van deze Omertelling een offer van gerst
gebracht wordt en aan het einde een van fijn tarwemeel. Hij gaf zelf het
antwoord: Gerstekorrels zijn op zich ruw en hard en is in die vorm voer voor
dieren. Broden van fijn tarwemeel echter is de fijnste vorm van meel die we
kennen en is voor de mens het meest geschikt om te eten. De symboliek is
duidelijk. Net zoals de offers steeds fijner worden, is het de bedoeling dat
wij ons “verfijnen” in deze periode van het tellen van de dagen van de Omer. We moeten ons ontdoen van alle “dierlijke”
instincten en ons bezighouden met datgeen dat de mens bijzonder maakt en boven
het dierlijke stelt. De 50e dag begint namelijk met de achtste
eigenschap, die in Galaten 5:23 genoemd wordt: namelijk de zelfbeheersing! Zo
zijn deze vijftig dagen ook een goede voorbereiding om de Tora en Ruach haQodesh
met eerbied voor G’d en voor elkaar en bereidwilligheid tot het gehoorzamen aan
G’ds heilige geboden te ontvangen.
49 dagen Omertelling: Periode van rouw en bezinning
De tijd tussen Pesach en Shavuot,
die de Omertijd genoemd wordt, is voor de Joden
een tijd van droefheid en een periode van rouw. De Talmud
vertelt, dat juist in deze periode in de tweede eeuw er een grote epidemie was
waardoor velen stierven. In deze periode zijn door de eeuwen heen veel joden
het slachtoffer geworden van vervolgingen. Bij de kruistochten werden juist in
deze bijzondere periode heel veel Joodse gemeenten volledig uitgemoord. Daarom
gaat men in de omerperiode
niet trouwen, worden geen feesten gegeven en gaat men ook niet naar de kapper.
33e
dag van de Omertelling: Lag ba’Omer, dag van blijdschap
Er is wel één
uitzondering in deze periode: de 33e dag van de Omertelling. Op die dag zou namelijk de bovengenoemde
epidemie tot staan gekomen zijn. Deze dag wordt rmvib g”l Lag
ba’Omer genoemd. Het woord g”l Lag bestaat uit de Hebreeuwse letters l Lamed en g Gimel,
waarvan de getalswaarde tezamen 33 is (30+3=33), want Lag
ba’Omer is de 33e dag van de omertelling.
Deze dag is de enige dag in de omertijd waarop
wel getrouwd mag worden. Lag ba’Omer wordt gevierd
als een hlvlh ,vy Yom Hilula,
een dag van blijdschap en vreugde ter herdenking van het stoppen van die
dodelijke epidemie. In Israël wordt dan overal feest gevierd met veel dansen en
zingen, zelfs in de straten en op pleinen. Omdat Pesach
ieder jaar op 15 Nisan en volgens de officiële Luach de Omertelling
op 16 Nisan begint, is deze 33e dag dus
ook een vaste dag: 18 Iyar.
12e,
19e, 20e en 43e dag Omertelling:
Herdenkingsdagen
Na de vreugdevolle
dag gaat de periode van rouw en droefheid weer verder, waarin ook de vervolging
en het leiden van de joden in de moderne geschiedenis herdacht wordt, zoals op hav>h ,vy
Yom haShoa, de dag ter
herinnering aan de Holocaust, de vervolging en de vernietiging van de Joden
tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in dit jaar 5762 op de 12e
dag van de Omertelling valt, dat is 27 Nisan, en ook ]vrkzh ,vy Yom haZikaron, de dag ter herinnering aan de slachtoffers
in Israël op de 19e dag, de 4e Iyar. Een dag later, op de 20e dag
en dus de 5e Iyar, valt dit jaar de
Onafhankelijkheidsdag van de staat Israël, tvamjih
,vy Yom haAtzma’ut, en op de 43e dag, de 28e
Iyar, wordt de hereniging van Jeruzalem
herdacht op ,yl>vry ,vy Yom Yerushalayim.
1e dag van de Omertelling: de Opstanding van Yeshua
De Omertijd doet ons echter ook denken
aan de tijd die de Talmidim [discipelen] van Yeshua net als alle andere Joden als rouwperiode
doorgebracht hebben. Maar voor hen was deze rouwperiode wel heel concreet, want
hun Rabbi werd drie dagen voor het begin van de Omertelling
gedood aan een kruis buiten de stadsmuren van Jeruzalem en op dat moment wisten
zij nog niets van Zijn opstanding. Laten wij daarom even de gebeurtenissen op
deze 1e dag van de Omertelling
er nauwkeurig volgen om een indruk te krijgen welk een impact dit had op de
eerste volgelingen van onze Mashiach: “En op
de Shabat rustten zij naar het gebod, maar op
de eerste dag der week gingen zij reeds vroeg in de morgenstond met de
specerijen, die zij gereedgemaakt hadden, naar het graf.” (Lucas 23:56 en
24:1). “En toen de Shabat voorbij was, kochten Miryam
haMagdalit [Maria van Magdala] en Miryam
[Maria] de moeder van Ya’aqov [Jakobus], en Sh’lomit [Salome] specerijen om Hem te gaan zalven.
En zeer vroeg op de eerste dag der week gingen zij naar het graf, toen de zon
opging. En zij zeiden tot elkander: Wie zal ons de steen afwentelen van de
ingang van het graf?” (Marcus
16:1-3). ““Laat na de Shabat, tegen het
aanbreken van de eerste dag der week, ging Miryam
haMagdalit [Maria van Magdala] en de andere Miryam
[Maria] het graf bezien. En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel
des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg
en zette zich daarop. Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit
als sneeuw. En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden
als doden” (vhyttm Matityahu [Matthéüs 28:1-4). “En
toen zij (de vrouwen) opzagen, aanschouwden zij, dat de steen afgewenteld was;
want hij was zeer groot.” (Marcus 16:4). “Zij vonden de steen van het
graf afgewenteld, en toen zij er ingegaan waren, vonden zij het lichaam van Yeshua Adoneinu niet” (Lucas 24:2-3). “En toen
zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten aan de
rechterzijde, bekleed met een wit gewaad, en ontsteltenis beving haar”
(Marcus 16:5). “Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gij
niet bevreesd; want ik weet, dat gij Yeshua
[Jezus] zoekt, de gekruisigde. Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk
Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft. En gaat terstond
op weg en zegt zijn Talmidim [discipelen], dat
Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult
gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd” (vhyttm Matityahu [Matthéüs 28:5-7). “Weest niet ontsteld. Yeshua zoekt gij, haNotzri
[de Nazarener], de gekruisigde. Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de
plaats, waar zij Hem gelegd hadden. Maar gaat heen, zegt Zijn Talmidim en Kefa
[Petrus], dat Hij u voorgaat naar Galilea, daar zult gij Hem zien, gelijk Hij u
gezegd heeft” (Marcus 16:6-7). “Wat zoekt gij de levende bij de doden?
Hij is hier niet, maar Hij is opgewekt. Herinnert u, hoe Hij, toen Hij nog in
Galilea was, tot u gesproken heeft, zeggend, dat de Zoon des mensen moest
overgeleverd worden in de handen van zondige mensen en gekruisigd worden en ten
derden dage opstaan, en zij herinnerden zich Zijn woorden” (Lucas 24:5-8). “En
zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen
haastig voort om het Zijn Talmidim te
berichten” (vhyttm Matityahu [Matthéüs 28:8). “En teruggekeerd van het
graf, boodschapten zij dit alles aan de elven en aan al de anderen. Dit
waren dan Miryam haMagdalit [Maria van
Magdala], Yochana [Johanna], en Miryam [Maria], de moeder van Ya’aqov [Jacobus]. En de anderen, die met haar waren, zeiden dit
aan de Sh’lichim [apostelen]. En deze woorden
schenen hun zotteklap en zij geloofden haar niet. Doch Kefa
[Petrus] stond op en liep snel naar het graf” (Lucas 24:9-12). “Kefa dan ging op weg en ook de andere Talmid en zij begaven zich naar het graf; en die twee
liepen samen snel voort; en de andere Talmid
liep vooruit, sneller dan Kefa, en kwam het
eerst aan het graf, en zich vooroverbuigende, zag hij de linnen windsels
liggen; hij ging echter niet naar binnen. Shim’on Kefa
dan kwam ook, hem volgende, en hij ging het graf binnen en zag de windsels
liggen, maar de zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de
windsels liggen, doch opgerold, terzijde op een andere plaats. Toen ging ook de
andere Talmid, die het eerst aan het graf
gekomen was, naar binnen, en hij zag het en geloofde; want zij kenden de
Schrift nog niet, dat Hij uit de doden moest opstaan. De discipelen dan gingen
weder naar huis” (]nxvy Yochanan
[Johannes] 20:3-10).
1e dag van de Omertelling: de leugen voor het
Sanhedrin
“Toen zij onderweg
waren, zie, enigen van de wacht kwamen in de stad om de overpriesters al het
gebeurde te berichten. En in een vergadering met de Z’qenim
[oudsten] kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld, en zij
zeiden: Zegt, Zijn Talmidim [discipelen] zijn
des nachts gekomen en zij hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen. En indien
dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat
gij buiten moeite blijft. En zij namen het geld aan en deden zoals hun gezegd
was. En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot de dag van heden toe.” (vhyttm Matityahu [Matthéüs 28:11-15).
1e dag van de Omertelling: Verschijning aan Miryam
haMagdalit
“En Miryam stond buiten dicht bij het graf,
wenende. Terwijl zij dan weende, boog zij zich voorover naar het graf, en zij
zag twee engelen zitten, in witte klederen, een aan het hoofdeinde en een aan
het voeteneinde, waar het lichaam van Yeshua
gelegen had. En zij zeiden tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Zij zeide tot
hen: Om dat zij mijn Heer weggenomen hebben en ik weet niet, waar zij Hem
neergelegd hebben. Na deze woorden keerde zij zich om en zag Yeshua staan, maar zij wist niet, dat het Yeshua was. Yeshua
zeide tot haar: Vrouw, waarom weent gij? Wie zoekt gij? Zij meende, dat het de
hovenier was, en zeide tot Hem: Heer, als gij Hem weggedragen hebt, zeg mij
dan, waar gij Hem hebt neergelegd en ik zal Hem wegnemen. Yeshua zeide tot haar: Miryam!
Zij keerde zich om en zeide tot Hem in het Hebreeuws: Rabuni,
dat wil zeggen: mijn Meester! Yeshua zeide tot
haar: Houd Mij niet vast, want Ik ben nog niet opgevaren naar de Vader; maar ga
naar Mijn broeders en zeg hun: Ik vaar op naar Mijn Vader en uw Vader, naar
Mijn G’d en uw G’d. Miryam haMagdalit ging heen
en boodschapte de Talmidim, dat zij de Heer had
gezien en dat Hij haar dit gezegd had” (]nxvy Yochanan [Johannes] 20:11-18).
1e dag van de Omertelling: De Emmaüsgangers
“En zie, twee van hen
waren juist op die dag op weg naar een dorp, zestig stadien van Jeruzalem verwijderd,
genaamd Ama’us [Emmaüs], en zij spraken met
elkander over al wat voorgevallen was. En het geschiedde, terwijl zij daarover
spraken en van gedachten wisselden, dat Yeshua
zelf bij hen kwam en met hen medeging. Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij
Hem niet herkenden. Hij zeide tot hen: Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al
wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan. Een dan
van hen, genaamd Kleopas, antwoordde en zeide
tot Hem: Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar
dezer dagen geschied is? En Hij zeide tot hen: Wat dan? Zij zeiden tot Hem:
Hetgeen geschied is met Yeshua haNotzri, een
Man, die een profeet was, machtig in werk en woord voor G’d en het ganse volk,
en hoe Hem onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te
veroordelen en Hem gekruisigd hebben. Wij echter leefden in de hoop, dat Hij
het was, die Israël verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde
dag, sinds dit geschied is. Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons
doen ontstellen: zij waren in de vroegte bij het graf geweest en hadden Zijn
lichaam niet gevonden en zijn toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning
van engelen gezien hadden, die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen
zijn naar het graf gegaan en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd
hadden, maar Hem hebben zij niet gezien. En Hij zeide tot hen: O onverstandigen
en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken
hebben! Moest de Mashiach dit niet lijden om in
Zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Moshe
[Mozes] en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem
betrekking had. En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed,
alsof Hij verder zou gaan. En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: Blijf
bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald. En Hij ging
binnen om bij hen te blijven. En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat
Hij de Matza nam [het ongezuurde brood, want
het was nog steeds het feest van de ongezuurde broden], de B’racha [zegen] uitsprak, het brak en hun toereikte.
En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun
midden. En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, terwijl
Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende? En zij stonden op en
keerden terzelfder tijd terug naar Jeruzalem en zij vonden de elven en die bij
hen waren, vergaderd, en dezen zeiden: De Here is waarlijk opgewekt en is aan Shim’on [Simon] verschenen. En zij verhaalden wat
onderweg gebeurd was en hoe Hij door hen herkend was bij het breken van het
brood” (Lucas 24:13-35).
1e dag van de Omertelling: Verschijning aan de
Talmidim
“En terwijl zij
hierover spraken, stond Hij zelf in hun midden; en zij werden ontzet en
verschrikt en zij meenden een geest te aanschouwen. Doch Hij zeide tot hen:
Waarom zijt gij ontsteld en waarom komen er overwegingen op in uw hart? Ziet
Mijn handen en Mijn voeten, dat Ik het zelf ben; betast Mij en ziet, dat een
geest geen vlees en beenderen heeft, zoals gij ziet, dat Ik heb. En bij dit
woord toonde Hij hun Zijn handen en voeten. En toen zij het van blijdschap nog
niet geloofden en zich verwonderden, zeide Hij tot hen: Hebt gij hier iets te
eten? Zij reikten Hem een stuk van een gebakken vis toe. En Hij nam het en at
het voor hun ogen” (Lucas
24:36-43). “Toen het dan avond was
op die eerste dag der week en ter plaatse, waar de Talmidim
zich bevonden, de deuren gesloten waren uit vrees voor de Judeërs, kwam Yeshua en stond in hun midden en zeide tot hen: Shalom! [Vrede zij u!] En na dit gezegd te hebben
toonde Hij hun Zijn handen en Zijn zijde. De Talmidim
dan waren verblijd, toen zij de Here zagen. Yeshua
dan zeide nogmaals tot hen: Shalom! [Vrede zij
u!] Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u. En na dit gezegd te
hebben, blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt Ruach
haQodesh [de Heilige Geest]. Wie gij hun zonden kwijt scheldt, die zijn
ze kwijt gescholden; wie gij ze toerekent, die zijn ze toegerekend” (]nxvy Yochanan [Johannes] 20:19-23). “Hij zeide tot hen: Dit zijn Mijn woorden, die Ik
tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in
de Tora van Moshe
en de Navi’im [profeten] en de Tehilim [psalmen] moet vervuld worden. Toen opende
Hij hun verstand, zodat zij de Ketuvim
[Schriften] begrepen. En Hij zeide tot hen: Aldus staat er geschreven, dat de Mashiach moest lijden en ten derden dage opstaan uit
de doden, en dat in Zijn naam moest gepredikt worden bekering tot vergeving der
zonden aan alle volken, te beginnen bij Jeruzalem. Gij zijt getuigen van deze
dingen. En zie, Ik doe de belofte Mijns Vaders op u komen. Maar gij moet in de
stad blijven, totdat gij bekleed wordt met kracht uit den hoge” (Lucas
24:44-49).
1e dag van de Omertelling: Samenvatting van de
gebeurtenissen
De evangelist
Marcus geeft ons een korte samenvatting van al deze gebeurtenissen die op de 1e dag van de Omertelling hebben
plaats gevonden: “Toen Hij (Yeshua) des
morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was, verscheen Hij eerst aan Miryam haMagdalit, van wie Hij zeven boze geesten
uitgedreven had. Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem geweest
waren, die treurden en weenden. En toen zij hoorden, dat Hij leefde en door
haar gezien was, geloofden zij het niet. Daarna verscheen Hij in een andere
gedaante aan twee van hen op de weg, terwijl zij zich naar het land begaven. En
ook die gingen heen om het aan de anderen te berichten. En ook die geloofden
zij niet. Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij
verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden die
Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was. En Hij zeide tot hen: Gaat heen
in de gehele wereld, verkondigt de B’sora [het
evangelie] aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat onderdompelen, zal
behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. Als tekenen
zullen deze dingen de gelovigen volgen: in Mijn naam zullen zij boze geesten
uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, slangen zullen zij opnemen, en
zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op
zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden” (Marcus
16:9-18).
8e dag van de Omertelling: De ongelovige Tomas
“En Tomas, één van de twaalven, genaamd Didymus, was niet met hen, toen Yeshua daar kwam. De andere Talmidim
dan zeiden tot hem: Wij hebben de Here gezien! Maar hij zeide tot hen: Indien
ik in Zijn handen niet zie het teken der nagels en mijn vinger niet steek in de
plaats der nagels en mijn hand niet steek in Zijn zijde, zal ik geenszins
geloven. En na acht dagen waren Zijn Talmidim
weer in het huis en Tomas met hen. Yeshua kwam, terwijl de deuren gesloten waren, en Hij
stond in hun midden en zeide: Shalom! [Vrede
zij u!] Daarna zeide Hij tot Tomas: Breng uw
vinger hier en zie Mijn handen en breng uw hand en steek die in Mijn zijde, en
wees niet ongelovig, maar gelovig! Tomas
antwoordde en zeide tot Hem: Adoni v’Elohai!
[Mijn Here en mijn G’d!]. Yeshua zeide tot hem:
Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij die niet gezien hebben
en toch geloven. Yeshua heeft nog wel vele
andere tekenen voor de ogen van Zijn Talmidim
gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat
gij gelooft, dat Yeshua is de Mashiach, de Zoon van G’d, en opdat gij, gelovende,
het leven hebt in Zijn naam.” (]nxvy Yochanan
[Johannes] 20:24-30).
Tussen de 8e en 40e dag Omertelling:
Verschijning in Galilea
“Hierna openbaarde Yeshua Zich opnieuw aan de Talmidim
bij Yam Kineret [de zee van Tiberias] en Hij
openbaarde Zich aldus. Daar waren bijeen Shim’on Kefa
[Simon Petrus], Tomas, genaamd Didymus, N’tan’el miQana
asher baGalil [Natanaël van Kana in Galilea], de zonen van Zavdai [Zebedeüs] en nog twee van Zijn Talmidim. Shim’on Kefa zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden
tot hem: Wij gaan met u mede. Zij vertrokken en gingen scheep, en in die nacht
vingen zij niets. Toen het reeds morgen werd, stond Yeshua
aan de oever; de Talmidim wisten echter niet,
dat het Yeshua was. Yeshua
zeide tot hen: B’nai [Kinderen], hebt gij ook
enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. Hij nu zeide tot hen: Werpt uw net
uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Zij wierpen het net
uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der vissen. Die Talmid dan, dien Yeshua
liefhad, zeide tot Kefa [Petrus]: Het is de
Here. Shim’on Kefa dan, toen hij hoorde, dat
het de Here was, sloeg zijn opperkleed om, want hij was ongekleed, en wierp
zich in zee; maar de andere Talmidim kwamen met
het schip, want zij waren niet ver van het land, slechts ongeveer tweehonderd
el, en zij sleepten het net met de vissen. Toen zij dan aan land gekomen waren,
zagen zij een kolenvuur liggen en vis daarop en brood. Yeshua
zeide tot hen: Brengt van de vissen, die gij thans gevangen hebt. Shim’on Kefa ging aan boord en sleepte het net aan
land, vol grote vissen, honderd drieënvijftig; en hoewel er zovele waren,
scheurde het net niet. Yeshua zeide tot hen:
Komt en houdt de maaltijd. Niemand van de Talmidim
durfde Hem de vraag stellen: Wie zijt Gij? Want zij wisten, dat het de Heer
was. Yeshua kwam en Hij nam het brood en gaf
het hun en evenzo de vis. Dit was reeds de derde maal, dat Yeshua na zijn opwekking uit de doden Zich aan zijn Talmidim geopenbaard heeft. Toen zij dan de maaltijd
gehouden hadden, zeide Yeshua tot Shim’on Kefa: Shim’on Bar
Yona [Simon, zoon van Jonas],
hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja Heer, Gij
weet, dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijn lammeren. Hij zeide ten
tweeden male weder tot hem: Shim’on Bar Yona,
hebt gij Mij waarlijk lief? En hij zeide tot Hem: Ja Heer, Gij weet het, dat ik
U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed mijn schapen. Hij zeide ten derden male tot
hem: Shim’on Bar Yona, hebt gij Mij lief? Kefa werd bedroefd, dat Hij voor de derde maal tot
hem zeide: Hebt gij Mij lief? En hij zeide tot Hem: Heer, Gij weet alles, Gij
weet, dat ik U liefheb. Yeshua zeide tot hem:
Weid mijn schapen. Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Toen gij jonger waart,
omgorddet gij uzelf en gij gingt, waar gij wildet, maar wanneer gij eenmaal oud
wordt, zult gij uw handen uitstrekken en een ander zal u omgorden en u brengen,
waar gij niet wilt. En dit zeide Hij om te kennen te geven, met welke dood hij
G’d verheerlijken zou. En dit gezegd hebbende, sprak Hij tot hem: Volg Mij! En Kefa, zich omwendende, zag de Talmid volgen, dien Yeshua
liefhad, die zich bij de (Seder)maaltijd aan
Zijn borst geworpen had en gezegd had: Here, wie is het die U verraadt? Toen
hij deze zag, zeide Kefa tot Yeshua: Heer, maar wat zal met deze gebeuren? Yeshua zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft,
totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij! Dit gerucht ging dan uit onder
de broeders, dat die Talmid niet sterven zou;
doch Yeshua had niet tot hem gezegd, dat hij
niet zou sterven, maar: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat
het u aan? Dit is de Talmid, die van deze
dingen getuigt en die deze beschreven heeft en wij weten, dat zijn getuigenis
waar is. Er zijn echter nog vele andere dingen, die
Yeshua gedaan heeft; indien deze één voor één beschreven werden, dan
zou, naar ik meen, de wereld zelf de boeken, die geschreven werden, niet kunnen
bevatten!“ (]nxvy Yochanan [Johannes] 21:1-25). “En de elf Talmidim
vertrokken naar Galilea, naar de berg, waar Yeshua
hen bescheiden had. En toen zij Hem zagen, aanbaden zij, maar sommigen
twijfelden. En Yeshua trad naderbij en sprak
tot hen, zeggende: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde. Gaat
dan henen, maakt al de volken tot Mijn Talmidim
en doopt hen in de naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes [ul’tabel otam b’Shem haAv v’haBen v’Ruach haQodesh]
en leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb. En zie, Ik ben met u al de
dagen tot aan de voleinding der wereld” (vhyttm Matityahu [Matthéüs 28:16-20). Tot zover de verslagen van
de diverse verschijningen van Yeshua gedurende
de Omertijd om Zijn getrouwen in deze periode
van droefheid te troosten.
Ook voor de Talmidim [discipelen] van Yeshua
was der Omertijd dus een periode van rouw en
droefheid. Eerst was er de rouw om de dood van hun Rabbi.
Toen ze eenmaal overtuigd waren, dat Hij uit de dood was opgestaan en leefde,
kwam er toch weer droefheid in hun hart, omdat hun Rabbi
hen verlaten zou. Deze periode van verdriet zou voor hen evenals voor alle
andere Joden pas eindigen als ook de Omertijd
officieel eindigde en Shavuot, het
Pinksterfeest zou aanbreken. Maar het kwam gelukkig heel anders! Op de 40e
dag van de Omertelling gebeurde er iets heel
wonderlijks dat de grote vreugde en de blijdschap van de 33e dag
nog ver zou overtreffen! De Messiasbelijdende Joden noemen deze gebeurtenis
vanouds hmym>h hyli Aliya haShamayima [hemelvaart] en deze 40e dag van de omertelling wordt daarom gevierd als ,ym>l iv>y tyli ,vy
Yom Aliyat Yeshua laShamayim. Christenen vieren
deze dag onder de naam hemelvaartsdag. In B’rit
haChadasha [het Nieuwe Testament] schrijft Lucas over deze 40e
dag van de Omertelling het volgende
verslag: “Mijn eerste boek heb ik gemaakt, Teofilus,
over al wat Yeshua begonnen is te doen en te
leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen, nadat Hij aan de Sh’lichim [apostelen], die Hij had uitgekozen, door Ruach haQodesh [de heilige Geest] zijn bevelen had
gegeven; aan wie Hij Zich ook na Zijn lijden met vele kentekenen levend heeft
vertoond, veertig dagen lang hun
verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk G’ds betreft. En
terwijl Hij met hen aanzat, gebood Hij hun Jeruzalem niet te verlaten, maar te
blijven wachten op de belofte van de Vader, die gij zeide Hij van Mij gehoord
hebt. Want Yochanan [Johannes] doopte met
water, maar gij zult met Ruach haQodesh [de
Heilige Geest] gedoopt worden, niet vele dagen na deze. Zij dan, die daar
bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here, herstelt Gij in deze tijd het
koningschap voor Israël? Hij zeide tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of
gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft,
maar gij zult kracht ontvangen, wanneer Ruach haQodesh
over u komt, en gij zult Mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en
Samaria en tot het uiterste der aarde.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 1:4-8). “En Hij leidde hen
naar buiten tot bij Betanië en Hij hief de handen omhoog en zegende hen. En het
geschiedde, terwijl Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde.” (Lucas
24:51). Marcus beschrijft deze met het menselijke verstand niet te bevatten
hemelvaart van de Mashiach zo: “Yeshua haAdon [de Here
Jezus] dan werd, nadat Hij tot hen gesproken had, opgenomen in de hemel en
heeft Zich gezet aan de rechterhand G’ds” (Marcus 16:19), want er staat
geschreven: “Aldus luidt het woord van de Eeuwige tot mijn Heer: Zet U aan
Mijn rechterhand” [,ylht Tehilim
[Psalmen 110:1). Lucas gaat verder met zijn verslag: “En nadat Hij dit
gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok
Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer,
zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese
mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Yeshua, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij
Hem ten hemel hebt zien varen. Toen keerden zij terug naar Yerushalayim [Jeruzalem] van de berg, genaamd ,ytyzh9rh Har haZeitim
[de Olijfberg], die dicht bij Yerushalayim is,
een Techum Shabat [sabbatsreis] daarvandaan.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 1:9-12). “En zij keerden
terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, en zij waren voortdurend in de
tempel, lovende G’d!” (Lucas 24:52). Zo willen ook wij deze omertijd benutten om ons voor te bereiden op Zijn
spoedige wederkomst en evenals Zijn Sh’lichim
[apostelen] destijds ook nu de hkrb B’racha
[zegenspreuk] zeggen:
,lvih !lm vnyhla yy hta !vrb
iv>y l> vmdb vn>dq r>a
.rmvih trypc li vnvjv
Baruch
Ata Adonai Eloheinu, Melech haOlam,
asher
qid’shanu b’damo shel Yeshua,
v’tzivanu al Sefirat haOmer, amen!
Gezegend zijt Gij
Eeuwige, onze G’d, Koning van het heelal,
die ons heeft
geheiligd door het bloed van Yeshua
en die ons heeft
opgedragen, om de Omer te tellen, amen!
Werner Stauder